Mijn artikelen

Het oerbos, vermalen tot tissues

Uit: Trouw (31/01/2018)

Het boreale woud valt in Zweden ten prooi aan de industrie. De milieu-ambitie is groot, maar de de plicht voor bosbezitters minimaal. ‘Typisch Zweeds.’

In het boreale woud, in het noorden van Zweden, volgen 44 Sami-gemeenschappen twee keer per jaar de voedseltrek van hun ren- dieren. Richting de zee met de aanvang van de winter, terug naar de bergen zodra het weer weer zachter wordt. Voor een deel van deze inheemse bevolking, die al duizenden jaren deze regio be- woont, zijn de kuddes de voornaamste levensbron.

De rendieren leven op hun beurt ‘s zomers van gras, bladeren en paddenstoelen. Als de vorst inzet en de kuddes door het boreale bos richting de kust migreren, voeden ze zich met het korstmos aan de dennen.

Dit oude woud, een zo essentiële voedselbron voor de rendierkuddes, is steeds moeilijker te vinden. In de jaren vijftig begon hier de industriële houtkap, inmiddels staat 80 procent van alle bosgrond

in Zweden te boek als ‘productief’. Oerwildernis maakt plaats voor kale vlaktes en plantages met de invasieve, korstmosloze Pinus contorta of draaiden.

Niet alleen rendieren en de traditionele levenswijze van de Sami worden in hun bestaan bedreigd. In Zweden zijn ruim 1300 ‘rood- gemarkeerde’ dier-, plant-, schimmelsoorten en mos gebonden aan de boreale zone. Biologen hebben de hoop opgegeven dat deze hele variëteit behouden kan blijven. De ecosystemen zijn gefragmenteerd, de stukken woud te klein, de grond onder de draaiden te arm voor ander leven.

Maar in feite heeft de hele wereldbevolking een afhankelijkheids- relatie met de regio. Het woud, dat grote delen van Scandinavië, Noord-Amerika, Rusland en Mongolië beslaat, is het omvangrijkste bosgebied en de grootste natuurlijke CO2-opslag ter wereld.

Het conservatiedoel dat de overheid gesteld heeft, is 20 procent van al het Zweedse woud. Deze 20 procent is volgens de weten- schap, en volgens de Verenigde Naties, het kritische minimum voor het behoud van de mondiale biodiversiteit. Die 20 procent is allesbehalve ideaal: 70 procent, zeggen de VN, zou het uitgangs- punt moeten zijn.

Maar Naturvårdsverket, de overheidsautoriteit voor milieubescherming, waarschuwt al jaren: met het huidige bosbeleid halen we zelfs die – toch bescheiden – 20 procent bij lange na niet.

Een stuk bos kan alleen langdurig veiliggesteld worden met de aanleg van een natuurreservaat, vertelt Claes Svedlindh, natuurdirecteur bij de milieu-autoriteit. En dat gebeurt: ieder jaar wordt er 20.000 hectare aan nieuw reservaat afgebakend. Maar opschieten doet het niet. Van de 30 miljoen hectare Zweedse bosgrond is nog geen 5 procent beschermd.

De bescherming van een bosgebied, zegt Svedlindh, is tijdrovend en vooral kostbaar. Met geld dat Naturvårdsverket van de overheid ontvangt, compenseert het bosbezitters voor een moratorium op de houtkap in ecologisch waardevolle regio’s. De milieu-ambitie is groot, maar de compensatiepot te klein, de plicht voor bosbezitters minimaal. “Dat is typisch Zweeds”, zegt Erik Sollander, bosbeleidstrateeg bij Skogsstyrelsen, de bosraad, die zich eveneens inzet voor bescherming van het oerbos. “De overheid verwacht dat bos- eigenaren zich inzetten voor een hoogdravend maatschappelijk doel, maar de praktijk is erg vrijblijvend.”

Wegwerpproduct

Naturvårdsverket en Skogsstyrelsen hebben samen 366 ‘zones van hoge waarde’ in kaart gebracht, die de fragmentatie van de boreale regio zouden tegengaan en waarvan de conservatie wezenlijk is voor de toekomst van het woud met zijn bewoners. Bosbezitters kunnen ze enkel adviseren over het belang van die gebieden. “Er zijn bedrijven, klein en groot, die vervolgens op vrijwillige basis delen van hun landgoed laten rusten”, zegt Sollander. Zo is ruim een miljoen hectare boslandschap officieus beschermd. Maar er zijn genoeg bedrijven die de aanbevelingen in de wind slaan en als dit gebeurt, ontbreekt elk pressiemiddel.

Daar zit ‘m ook de pijn bij Greenpeace. De milieuorganisatie voert actie tegen Essity, de grootste vervaardiger van hygiënische producten in Europa, bekend van merken als Tempo, Libresse en Lotus. Het bedrijf neemt vezels af van de SCA Group, die jaarlijks 400.000 ton aan Noord-Zweedse (oer)bomen tot gebleekt zacht- houtpulp verwerkt – en zich daarbij weinig aantrekt van de hoge- waardezones. SCA maakt zich momenteel op voor de verdubbeling van zijn productie wegens een ‘toegenomen vraag’.

Het komt er dus op neer dat oerbos wordt vermalen voor een weg- werpproduct, terwijl zakdoekjes, inlegkruisjes en wc-papier ook van hergebruikt papier gemaakt kunnen worden, zegt Lina Burnelius, bosexpert bij Greenpeace. “Het is een ander verhaal als oud woud gebruikt wordt voor de bouw van huizen en meubels, de aanleg van vloeren. Dan gaat het hout tientallen, zo niet honderden jaren mee en is de koolstofdioxide langdurig opgeslagen. Maar het overgrote deel van het industriehout verwordt tot een handels- waar met een kort leven.”

FSC-certificering van hout, waarmee bedrijven als SCA schermen, is volgens Greenpeace nauwelijks een oplossing. “Certificering be- tekent in de regel dat voor elke gekapte boom twee nieuwe wor- den geplant”, zegt Burnelius, “maar de ene boom is de andere niet.” Aanplanting van de draaiden, een exoot, zelfs als het er dub- bel zoveel zijn, helpt niet met het behoud van ecosystemen en bio- diversiteit. Wat eerst bosgrond was, verandert in plantage. Burnelius: “Politici verschuilen zich volledig achter deze mythe van duurzame bosbouw. Beleidsmakers zien alleen bomen, geen bos of ecosystemen.”

Jenny Wik Karlsson, advocaat en directeur van de overkoepelende Sami-organisatie, vertegenwoordigt de rendierhoedgemeenschappen. De overheid, zegt zij, heeft de Sami erkend als inheems volk en het recht op hun traditionele levenswijzen is bekrachtigd. “Officieel genieten we dus bescherming, maar doorgaans verliezen we het van de bedrijven. De reden is simpel: we zijn nog altijd niet in de regering vertegenwoordigd.”

De argumenten vóór bosbouw zijn helder. De exportwaarde is jaarlijks zo’n 12,5 miljard euro. Bosbouw is, volgens de spreekbuis van de branche Skogs Industrierna, goed voor 9 tot 12 procent van de totale werkgelegenheid, export, en industriële omzet. Veel kleine- re landbezitters, vaak boeren, zijn bovendien afhankelijk van de extra inkomsten uit hun productieve bos.

Het boreale woud kan ook anders geld opleveren, benadrukken critici. Ecotoerisme zou een passende aanvulling zijn op een meer verantwoorde vorm van houtproductie, vindt ook Svedlindh van Naturvårdsverket. “In Noorwegen en IJsland is dit een substantiële inkomstenbron, maar betaald natuurbezoek past niet in de Zweed- se cultuur.” Entreegelden voor Nationale Parken, ecohotels, gidsen en vervoer: dit alles zou op zijn minst ten dele de inkomsten en werkgelegenheid van de kapindustrie kunnen vervangen.

Kaalkap

Toch is niemand voor een einde aan de houtkap. De Sami niet, Greenpeace niet, de milieu-autoriteiten niet. Als een vijfde van het woud in Zweden reservaat wordt, zegt Burnelius, blijft vier vijfde deel over om in te kappen – mits op een duurzame manier. Dat be- tekent: met consideratie voor de inheemse bevolking en de langdurige veerkracht van het bos en zijn ecosystemen. Geen kaalkap, geen plantages met exoten, geen verwerking tot wegwerpproducten.

Uiteindelijk zijn we allemaal gebaat bij het behoud van deze groene zone. “Iedereen heeft toiletpapier nodig, maar niet van het laat- ste boreale bos.”

Het boreale woud of taiga

Het boreale woud, in het Russisch de taiga genoemd, is een im- mens bosgebied dat zich uitstrekt over het noorden van Europa, Noord-Amerika en Azië. Het woud is goed voor bijna een derde van al het bos op aarde. Het bestaat vooral uit naaldbomen en be- vindt zich grofweg tussen de 45ste en 70ste breedtegraad.